Piramide van mazzel

“Het is fijn hè, op een boot, echt lekker back to basic”, zegt mijn tafelgenote. “Huhhuh”, hum ik beleefd. Ik denk ondertussen: “back to basic m’n reet”. Want hoe back to basic is het, als je met uitzicht op je eigen zeilboot een biertje zit te drinken. Op een terras. Op een tropisch eiland. Waar je bij de Appie een frikandellenbroodje in de bonus kunt kopen. O, o, o, wat lekker basic, wat worden we ‘een met de natuur’, wat voelen we ons ‘oer’.

Ok, misschien dacht ik dat zelf een paar weken geleden ook. Dat ik lekker ‘oer’ was, of zoiets. Het eiland waar we toen waren, Saint Vincent, leent zich namelijk uitstekend voor dat soort gedachten: de mensen zijn er arm en leven van wat het land en de zee hen biedt, de natuur is er weelderig en vrijgevig. We vulden daar onze watertanks met zelf opgevangen regenwater, ruilden drinkwater voor verse vis, en plukten ladingen fruit tijdens heerlijke wandelingen. We leefden simpel, zoals de mensen daar. Het voelde lekker om niet veel nodig te hebben en te leven van wat de natuur je op dat moment biedt. Ik voelde me er super fijn ‘zijn’.

De aankomst op Bonaire vond ik dan ook even schrikken. Of eigenlijk vond ik het gewoonweg vreselijk. Zeker toen ik de Appie binnen stapte. Wat een ongepaste hoeveelheid onzinnige producten. Drie kleuren paprika’s, uit Nederland ingevlogen komkommers, vijfendertig soorten pasta; waarom, waarom, waarom? En al die dure restaurants, die patserige auto’s, die bleke toeristen; walgelijk! Met een brok in m’n keel en een machteloos gevoel stapte ik later weer aan boord. Stellig riep ik dat ik liever de rest van mijn leven in armoede zou willen doorbrengen, dan in de platte overvloed van de westerse wereld. Ik had heimwee naar de ‘prachtige armoede’ van Saint Vincent. Ik wilde weer ‘zijn’ en genieten van het niks.

Een verheerlijking van armoede was dat, achteraf. En als je niet oppast ga je dus geloven in dat soort gewauwel. Vanuit je luxe positie als rijke westerling, heb je namelijk geen idee hoe het werkelijk is om te leven op arme eilanden als Saint Vincent. Ook niet als je, zoals ik even was, ervan overtuigd bent dat je simpel leeft zoals de locals dat doen. Natuurlijk, we aten dezelfde vis, plukten hetzelfde fruit, dronken hetzelfde regenwater, wasten ons in dezelfde zee, en dat voelde goed. Dat voelt alsof je niet meer nodig hebt. Dat voelt lekker back to basic.

Maar ik denk – denk ik dan hè, dat kan dus aan mij liggen – dat John, die op Saint Vincent elke dag op z’n halve surfplankje, in z’n rafelige onderbroek, met z’n halve gebit, langs ons bescheiden kapitale schip kwam gepeddeld, op jacht naar een visje, schoon water of een pakje crackers, daar toch anders over dacht. Niks prachtige armoede, niks back to basic. Je leeft op een boot een rijk leven, ook als je naar westerse maatstaven low budget leeft en je je reet in de zee wast. Je kan met niets toe, omdàt je alles hebt. Een soort luxe versie van armoede. Weten dat je je onzekere bestaan weer overboord kunt gooien als je het even niet meer zo leuk vindt, maakt het allemaal net even wat makkelijker om jezelf op het basisniveau van die wereldberoemde piramide te plaatsen. Dat is niet back to basic, dat is dikke mazzel.