Comfortabel

Ik probeer de landen waar we komen niet zo zeer als toerist te bekijken (want zijn dan niet alle landen fantastisch!?), maar meer vanuit de vraag: zou ik me hier kunnen en willen vestigen? Die bril levert fijne nieuwe inzichten en lessen op en het is bovendien een leutig gedachten-experiment. Mijn indruk is dat de kijkers thuis ons op dat punt met enig angst en beven in de gaten houden, voor het geval het gedachten-experiment wordt omgezet in non-fictie, maar ik heb nog niemand hoeven teleurstellen, want het antwoord op de vraag is tot nu toe altijd volmondig ‘nee’ geweest. Echter, Nieuw-Zeeland geeft bij de kijkers thuis hoge verwachtingen, of moet ik zeggen angstige voorgevoelens. Een westers land, met alle voorzieningen om het leven comfortabel te maken, met tegelijkertijd prachtige natuur en waar je alle vrijheid van de wereld hebt. Waar de mensen en het klimaat uiterst aangenaam zijn.

We zijn inmiddels ruim twee maanden in Nieuw-Zeeland en er zijn me een aantal dingen duidelijk geworden en nog een hele hoop dingen onduidelijk. Ik zou er paginalange antropologische, sociaalgeografische en socio-economische epistels over kunnen schrijven, maar ik gok dat jullie daar niet op zitten te wachten in de verloren minuten die jullie – toegewijd als altijd – besteden aan het lezen van mijn stukjes gewauwel. Maar goed, ik zou ik niet zijn als ik niet iets beschouwend te bekritiseren had, dus voor de draad ermee. Nou ben ik de laatste die Nieuw-Zeelanders – of kiwi’s – weg zou willen zetten als rare mensen. Maar wat een rare mensen zijn er toch hier. Ik ben ook niet de eerste die dat opmerkt overigens. Charles Darwin (die tweehonderd jaar nadat Abel Tasman het eiland – zonder ook maar een voet aan land te hebben gezet – met gierende zeilen verliet, toch nog maar eens ging checken of het echt zo erg was) kwam tot diezelfde verwondering. Een perfecte plek om al het Engelse genetische restmateriaal naar toe te verschepen en er een nieuw land te stichten. Een beetje boude stelling van meneer Darwin, maar daarom niet minder waar*. De overwoekering van Engelsen in dit land heeft ertoe geleid dat er niet alleen rare mensen wonen, maar vooral ook veel rare, lelijke mensen. Lelijke mensen in badjassen. En vooral aan dat laatste aspect kan ik maar moeilijk wennen. Lelijk, allee. DNA heb je niet in de hand. Maar die badjassen… Heerlijk comfortabel hoor een badjas, in de sauna. Maar in je badjas naar de supermarkt. Waarom? Op blote voeten, in de winter, in je badjas. Waarom? Het kan aan mij liggen (wat vaak het geval is bij meningen), maar ik vind dat toch een beetje gek. Een geruststelling vind ik het overigens wel, om die mening te hebben bedoel ik, want het had zo maar gekund dat ik mezelf na drie jaar zeilen eenzelfde ongeïnteresseerde houding aangaande verzorging en kleding zou hebben aangemeten. Dat Laurens en ik per ongeluk van die onverzorgde-pluishaar-gaten-in-de-broek-harige-oksels-mensen geworden zouden zijn. En toegegeven, ik heb op dat vlak betere tijden gekend, maar het beetje zelfrespect om niet met harige benen in een badjas naar de supermarkt te gaan is er nog. Ja, soms zit het mee in het leven.

Ik moet bij bovenstaande kritiek wel een disclaimer leveren (een beetje nuance kan geen kwaad). Als ik zeg ‘hier’ bedoel ik niet per definitie Nieuw-Zeeland als geheel. We zijn bv net terug van een weekend in Auckland en het blijkt dat mensen daar wel liefde voor mode, architectuur en lekker eten voelen. De rest van Nieuw-Zeeland vindt Aucklanders uiteraard een stelletje omhooggevallen eikels. Ze noemen ze liefkozend JAFA’s – Just Another Fucking Aucklander. Maar ik zou het wel weten als ik kiwi zou zijn (en 3 miljoen op de bank had); ik zou heerlijk in de stad gaan wonen in een ‘shoebox-apartment’, in m’n mooie kleren uit eten gaan in een van de honderden restaurants, langs de boulevard slenteren en in het weekend met m’n bootje de baai in om verse vis te eten op een van de vele eilandjes in de baai, in plaats van met harige benen in een badjas doodgebakken fish ‘n chips eten in de plaatselijke én enige snackbar waar de eigenaar en de rest van de klanten direct uit een dubieuze B-film uit de jaren ‘80 lijkt te zijn gestapt (snor, matje, badjas, de mannen meestal een houthakkersoverhemd). Goed, ik herinner je nog even aan de disclaimer, want we hebben echt nog maar een heel klein stukje van Nieuw-Zeeland gezien, dus mijn beschouwingen / meningen zijn gebaseerd op dat mini-stukje en op Auckland.

Omdat wij geen 3 miljoen op de bank hebben staan, wonen wij niet in een ‘shoebox-apartment’ in de stad, maar op onze ‘shoebox-boat’ in de meest noordelijke regio van Nieuw-Zeeland, het ‘Far North district’. Tussen de houthakkershemden in het plaatsje Opua aan de ‘Bay of Islands’. Dit deel van het land staat ook bekend als the winterless North – wat eigenlijk betekent dat grauwegrijzenattewinderige herfstdagen en fluitendevogeltjeszonophetterras lentedagen elkaar al een tijdje afwisselen. Je vindt hier prachtige baaien (die waar we liggen is behoorlijk fotogeniek zul je zien in de foto’s), lange witte stranden, groene glooiende landschappen en subtropische bossen. Het ‘verre noorden’ is echter ook ver van de grote steden en – op de plekken waar geen horden toeristen naar toe komen om zich tussen de walvissen, dolfijnen, zeeleeuwen, pinguïns, palmen en papegaaien te vermaken – vrij arm(oedig). De verschillen tussen de dorpen zijn in deze regio groot. Groter dan ik verwacht had eigenlijk en waarschijnlijk overrompelt het me daardoor soms. Nu vind ik de dorpen hier sowieso niet heel mooi (vrij nieuw, veel lintbebouwing), maar sommige dorpen zijn van het niveautje zigeunerkamp. De huizen zijn van peperkoek en schoonmaken is facultatief. Het is een vreemde gewaarwording om je in een land dat zo bekend, zo westers lijkt, soms totaal niet op je plek te voelen. We ervaren veel dingen hier alsof we 30 jaar terug zijn gegaan in de tijd. Alles wat je in een westers land verwacht is er, maar het is vaak ouderwets en tenenkrommend traag, afgetopt met de nodige Engelse bureaucratie. Een beetje als Flodder meets Debiteuren Crediteuren. Het hele ‘westers land, maar dan anders’ geeft genoeg voer voor interessante gesprekken met kiwi’s die we ontmoeten, maar het geeft soms ook een vreemd, onbestemd, oncomfortabel gevoel.

Het voordeel van teruggaan in de tijd, is dat mensen hier (nog) behoorlijk relaxed zijn. Ze hebben altijd tijd voor een praatje. In de winkel. Op straat. In de supermarkt. Met of zonder badjas, dat maakt niet uit. We zijn regelmatig aan het ‘housesitten’ en dat levert (met één vervelende badjasdrager in een vies huis als uitzondering) fijne contacten, een verblijf in heerlijke huizen op mooie locaties én honden- of kattenkopjes op. De mensen die we ontmoeten zijn gastvrij en verwelkomen ons als verloren familieleden, of het nou voor een zondagse ‘roast’ is of voor een spontaan verlengd logeerpartijtje van een paar dagen. Het blijft bijzonder om zo ontvangen te worden. Blijft, want het is niet de eerste keer dat ik de vriendelijkheid van de bevolking van een land bejubel. Ik schrijf er misschien niet altijd iets over in een blog, maar op de thuisfront-vraag ‘hoe is het daar en hoe zijn de mensen’ komt opvallend vaak, om niet te zeggen altijd, het antwoord ‘heel mooi en superaardig’. Geen reden om je ergens te vestigen, maar fantastisch om er een tijdje rond te hangen. Nu is het wat vroeg om de conclusie te trekken dat mensen overal ter wereld superaardig en gastvrij zijn – want we hebben toch zeker 155 landen ter wereld nog nooit bezocht – maar daar begint het zo langzaamaan wel op te lijken. Wat een heerlijk comfortabel vooruitzicht.
.
.
.
.
.
* De boude uitspraken in dit stukje zijn zwaar geïnspireerd op ‘Shit towns of New Zealand’. Een boekje waarin Kiwi’s hun eigen stads- en landgenoten in de zeik nemen (zie foto’s). Grappig, beledigend en herkenbaar.

.
.
.